Het zijn prachtige nazomerdagen met dat magische herfstlicht. Waar komt dat vandaan? Is het onze eigen blik die geladen is met gevoelens van melancholie, wetende dat de blaadjes gaan vallen en de appels gaan rotten? Of speelt de optica ook een rol?
Alleen aan de lagere zonnestand kan het niet liggen, want op iedere zomerdag is er een tijdstip van de dag waarop de zon precies zo hoog staat als nu. Wel is het zo dat de zon later opkomt en de grond dus nog niet ver opgewarmd is als het toch al een christelijke tijd is. Er zit dus veel vocht in de lucht en daar krijg je van die mooie stralen van. Dat de zon nog laag staat maakt de kans op tegenlicht, met bijbehorende visuele dramatiek, groter.
Maar als het later wordt, verdwijnt dit effect en zie je beter dat er nog een ander effect is: het licht lijkt helderder en heeft een goudgele kwaliteit. Zou dat komen omdat er juist in de hogere luchtlagen minder vocht en stof zit dan bijvoorbeeld in de zomer? Dat zou namelijk betekenen dat het zonlicht iets minder rood is (vgl. avondrood, wanneer de zon een lange weg door een stoffige atmosfeer moet afleggen) dan gewoonlijk en daardoor iets geler is. Misschien maakt de verwachting van de kijker het effect sterker: de zon staat laag, maar toch is het licht helder en niet rood.
Hoe dan ook, het is ieder jaar weer boeiend en een mooie aankondiging van dat seizoen van wind en vocht, oogst en rotting, verval en vernieuwing.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
2 opmerkingen:
Mooi verhaal over hoe men herfstlicht ervaart.
Nu nog de wetenschap.
(die plastic zak geeft het gewissen etwas)
Chantal
Een reactie posten